
Mijn nachtmerries nemen niet in frequentie af.
Hieronder beschrijf ik een nachtmerrie die ik vaker krijg.
De lucht is dik van roet en bloedstank. Rookpluimen stijgen als zwarte vingers uit de verschroeide aarde, terwijl in de verte geschreeuw weerklinkt, half overstemd door het gebulder van artillerie. Ik ligt op mijn buik in een loopgraaf, mijn gezicht begraven in modder die meer bloed dan aarde bevat. De regen druppelt traag, vermengd met as en scherven van verbrande lichamen.
Mijn vingers verkrampt om het staal van mijn wapen, koud en plakkerig van het bloed van de vorige eigenaar. Ik weet niet eens meer wie het was. Misschien een kameraad. Misschien een vijand. Hier beneden maakt het geen verschil. De dood heeft geen voorkeur.
Een gil snijdt door de lucht – een rauwe, gebroken kreet die abrupt stopt in een nat gekraak. Ik kijkt op. Iets beweegt in het niemandsland, net buiten de loopgraaf. Een lichaam ligt op de prikkeldraad, half opengereten, zijn darmen als slijmerige slangen uit zijn buik hangend. De man leeft nog. Zijn ogen rollen wit in zijn hoofd terwijl hij probeert iets te zeggen, maar zijn kaak hangt los, alleen nog vast aan een paar strengen vlees. Een rat, even groot als een kat, knaagt al aan zijn blootliggende ribben.
Ik zou hem kunnen helpen. Een kogel door zijn schedel, een snelle dood. Maar ik heb geen kogels meer. Alleen mijn mes. Ik knijp de heftige misselijkheid weg en kruipt verder.
Boven mijn hoofd fluit een granaat. Ik hebt precies twee seconden om te reageren. Ik duik achter een rottende hoop lichamen, mijn gezicht belandt in een gapende borstkas. De geur van verrotte longen en halfgestold bloed vult mijn neusgaten. Dan: een doffe klap, een zuigende hitte, en een regen van vlees en botten spat over mij heen. Iets warms glijdt langs mijn wang – een oogbol, nog verbonden met een dunne, trillende zenuw. Ik veeg het weg, maar de plakkerige substantie blijft aan mijn huid kleven.
Adrenaline pompt door mijn lichaam. Ik schiet overeind en storm uit de loopgraaf. Mijn voeten glijden over de natte aarde, mijn laarzen verdwijnen in een kuil vol ingewanden en afgehakte ledematen. Iemand grijpt mijn enkel – een soldaat zonder onderlichaam, zijn organen liggen als een dampende hoop achter hem. Zijn lippen bewegen. "Help me," fluistert hij, maar zijn longen zitten vol bloed en het klinkt als een verstikte gorgel.
Ik kan niet stoppen. Ik móét verder. Voor mij rijst een vijandelijke bunker op, half ingestort, de ingang een zwart gat naar de hel. Ik storm naar binnen en struikel over een lichaam. Het beweegt nog. Zijn gezicht is weggevreten door gifgas, de huid gesmolten tot een rimpelige, etterende massa. Zijn ogen zijn zwartgeblakerde gaten, zijn lippen weggebrand tot hij eeuwig grijnst. Zijn handen klauwen in de lucht, naar niets.

Ik hoor een klik en kijk op.
Een vijandige soldaat staat tegenover mij, trillend, zijn geweer op mij gericht. Zijn ogen zijn uitgehold van vermoeidheid, zijn gezicht uitgemergeld tot een skelet met een dunne laag huid. Hij is niet ouder dan zestien, eerder dertien. Zijn vingers klemmen om de trekker.
Hij staart mij aan en ik staar terug. Dan trekt hij de trekker over. Een doffe klik. Een weigering. Geen kogels meer.
Dan grijpt hij zijn mes. Ik ook. We stormen op elkaar af.
Mijn mes botst tegen het zijne met een dof kling, geen tijd om na te denken—ik ram mijn schouder in zijn borst en we vallen achterover in de modder. Zijn handen klauwen naar mijn keel, nagels die als botte splinters in mijn huid boren. Ik voelt zijn adem tegen mijn gezicht, warm en zuur, stikkend van bloed en rottend voedsel.
Ik ruk mij los en ram mijn knie in zijn maag. Hij kokhalst en spuugt een klodder bruinrode gal uit. Ik grijp zijn pols, draait hem om, en het mes glijdt uit zijn hand. Zijn schreeuw is rauw, een paniekerige gorgel terwijl hij probeert zijn vingers los te wrikken. Maar ik laat hem niet los.
Mijn mes duw ik in zijn keel.
Het gaat moeiteloos, de huid splijt open als een rijpe vrucht. Een fontein van bloed spat omhoog, warm en stroperig, druipend over mijn handen. Hij rukt en spartelt, zijn ogen uitpuilend, terwijl het mes door zijn luchtpijp snijdt. De geur van ijzer en vlees vult mijn neusgaten. Zijn handen grijpen nog zwakjes naar mijn borst. Ik trek het mes los en ramt het opnieuw in hem, deze keer door zijn slaap, de lemmet splijt het been met een nat krakend geluid.
Zijn lichaam schokt, een laatste stuiptrekking, en dan zakt hij stil in de modder. Maar zijn gezicht is nog steeds vervormd in die dodelijke grimas—zijn ogen vol horror, zijn mond half open en trillend als een afgeslacht dier.
Ik hijg, bloed druipt van mijn handen, mijn gezicht besmeurd met rode en zwarte klonten. Het lijkt alsof de aarde zelf huilt—de modder om mij heen verzadigd met vers bloed, ingewanden die als glibberige wormen uit opengereten buiken kronkelen.

Dan hoor ik achter mij iets bewegen. Een ander figuur, half uit een ingestorte bunker kruipend. Zijn buik is opengereten, zijn darmen houd hij vast. Hij kijkt mij aan met ogen vol pijn, zijn mond opent zich en zijn stem is niets meer dan een klagelijk, gorgelend gehuil.
Ik hou mijn mes steviger vast.
Ik stap op hem af, het mes nog druipend van warm bloed. Hij probeert zich weg te slepen, zijn vingers krabben zwakjes over de met ingewanden bezaaide grond, maar zijn kracht is weg. Zijn benen slepen nutteloos achter hem aan, de spiervezels en gescheurde huid trekken zich uit als natte repen vlees.
Ik kniel naast hem, zijn adem is een verstikkende gorgel van bloed en slijm. Zijn mond opent en sluit zich, alsof hij iets wil zeggen, maar de enige klank die eruit komt is een nat gesis, alsof zijn longen al langzaam oplossen in zijn eigen bloed. Ik grijpt hem bij zijn haar, trek zijn hoofd omhoog en kijkt hem in zijn half vertrokken ogen. Er zit nog leven in, zwak, wanhopig. Maar niet voor lang.
Met één snelle beweging zet ik het mes op zijn keel en snijdt. Om mij heen is alleen de geur van de dood en het aanhoudende gebulder van artillerie. En ergens in de verte begint een nieuwe aanval.
Ik hijg zwaar, mijn handen druipen van het bloed, warm en stroperig. De lucht is doordrenkt met de geur van verbrand vlees en bloed—een verstikkende, metalen stank die mijn longen vult als giftige rook.
Tussen de opengereten lichamen, tussen de hopen vlees en verkoolde resten, ligt een sluipschuttersgeweer. Een prachtig wapen, gehuld in bloed en hersenresten, de loop nog warm van een recente schot. De vorige eigenaar—of wat ervan over is—ligt ernaast. Zijn schedel is een gapend gat, zijn hersenen uit elkaar gespat tegen de bunkerwand.
Ik pak het geweer op, het staal koud en plakkerig van bloed. De kolf voelt stevig tegen mijn schouder, het vizier nog intact. In de verte hoor ik geschreeuw, voetstappen die door de modder ploeteren. Vijanden.
Ik klim op de restanten van een ingestorte bunker, mijn laarzen glijden over losgetrokken ribben en verbrijzelde schedels. Ik nestel mij in een halve krater, verborgen onder een kapot gereten lichaam, zijn borstkas opengereten als een rotte meloen. De geur van gal en halfverteerd voedsel walmt omhoog.
Ik richt het vizier. Daar zijn ze. Vijf soldaten, vermoeid, bezweet, onwetend van hun naderende dood. De eerste heeft zijn helm scheef op zijn hoofd staan, zijn uniform besmeurd met bloed—niet van hem, maar van iemand die in zijn armen gestorven is. De tweede leunt op zijn geweer, trillend, zijn gezicht een masker van angst. De derde kijkt om zich heen, alert. Te laat. Ik haal diep adem en houdt de trekker zachtjes vast. De eerste kogel splijt de schedel van de voorste soldaat. Zijn hoofd klapt open als een rijpe vrucht, grijze massa en brokstukken bot vliegen in een natte wolk uit elkaar. Zijn lichaam zakt als een lege zak vlees in de modder, bloed spuit ritmisch uit zijn opengereten nek. De tweede soldaat draait zich om, zijn mond opent zich om iets te schreeuwen—te laat. Mijn tweede kogel ramt dwars door zijn borstkas, de impact splijt zijn ribben open en blaast een stuk long naar buiten. Hij zakt op zijn knieën, zijn handen grijpen naar het gapende gat in zijn borst, zijn vingers verdwijnen in zijn eigen bloederige ingewanden. De overige drie proberen weg te rennen. Slechte keuze. Ik richt op hun hoofd en haal de trekker over. De eerste wordt vol getroffen, de tweede wordt met dezelfde kogel geraakt in zijn hals. Ik vuur nog een keer en de vijfde raak ik in zijn onderrug. Ik loop op hen af, het geweer bungelend in mijn ene hand, het mes in de andere. Kogels zijn nu schaarser dan het mes. De laatste twee levenden snij ik de keel door.
Ik schiet overeind. Badend in het zweet. Mijn hartslag is een razende hamer in mijn borst. De kamer is donker, stil, maar de geur van bloed zit nog steeds in je neus, de schreeuwen echoën nog in je hoofd. Ik voel mijn lichaam. Geen ingewanden die over mij heen glijden.
Ik ben thuis, maar de oorlog zit nog steeds in mij.

Reactie plaatsen
Reacties